onderzoek
Steensma et al. (2013) — Gender Dysphoria
Steensma et al. (2013) tonen dat bij 80% van de kinderen met genderdysforie de dysforie verdwijnt na de puberteit zonder medische interventie.
Thomas Steensma en collega's van het VUmc-genderteam publiceerden in 2013 in het Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry de studie Factors Associated with Desistence and Persistence of Childhood Gender Dysphoria: A Quantitative Follow-Up Study. Het onderzoek is een van de centrale empirische bronnen achter het zogenaamde Dutch Protocol en wordt internationaal aangehaald om te onderbouwen dat genderdysforie bij de meeste kinderen vanzelf overgaat.
Onderzoeksopzet
Het betreft een prospectieve follow-upstudie van kinderen die tussen ongeveer 5 en 12 jaar waren aangemeld bij de gender-identiteitskliniek van het VUmc tussen 1989 en 2005. De auteurs onderzochten welke kinderen op adolescente leeftijd nog steeds genderdysforie ervoeren (persisters) en welke niet meer (desisters).
Populatie
De studie includeerde 127 kinderen (79 jongens, 48 meisjes) die op kinderleeftijd voldeden aan DSM-criteria voor genderidentiteitsstoornis of subklinische genderdysforie hadden. De gemiddelde leeftijd bij aanmelding was 9 jaar; bij follow-up gemiddeld 15,9 jaar.
Bevindingen
- Een meerderheid van de kinderen ervoer op adolescente leeftijd geen genderdysforie meer; eerdere VUmc- en Toronto-data spreken van rond 80 procent desistance.
- Persistentie hing samen met: ernst van de oorspronkelijke dysforie, cognitieve identificatie met het andere geslacht (in plaats van uitsluitend rolgedrag), en het ondergaan van sociale transitie op kinderleeftijd.
- Veel desisters ontwikkelden later een homoseksuele orientatie zonder transgender identiteit.
Conclusies
Steensma c.s. concluderen dat genderdysforie op kinderleeftijd in de meerderheid van de gevallen niet voortduurt en dat vroegtijdige sociale transitie een risicofactor kan zijn voor persistentie, mogelijk doordat zij een ontwikkelingspad vastzet dat anders open zou blijven. Zij waarschuwen voor onomkeerbare stappen op kinderleeftijd.
Beperkingen
- Niet alle kinderen voldeden aan volledige DSM-criteria, wat de externe geldigheid voor klinische cohorten beperkt.
- Het betreft een klinisch cohort uit een specifiek tijdvak; de huidige populatie verwezen jongeren wijkt sterk af (meer adolescente meisjes, hogere comorbiditeit).
- Steekproefverlies bij follow-up; niet iedereen kon worden bereikt.
- Sociale transitie was destijds zeldzaam; de bevinding dat sociale transitie persistentie voorspelt, is gebaseerd op een klein aantal gevallen.
Implicaties
De desistance-bevinding heeft directe consequenties voor het beleid: behandeling met puberteitsblokkers op vroege leeftijd grijpt in op een traject dat bij de meerderheid spontaan zou zijn opgelost. Tegenstanders van vroegtijdige medische trajecten verwijzen naar Steensma om voorzichtigheid te bepleiten. Voorstanders stellen dat de huidige patientengroep (adolescenten met latere onset) andere uitkomsten kent dan het cohort uit deze studie, en dat de gegevens daarop niet direct toepasbaar zijn. Die discussie blijft open omdat vergelijkbare langetermijngegevens voor het nieuwe cohort ontbreken.
Transspijt