
Cijfers en onderzoek
Onderstaande cijfers zijn afkomstig uit peer-reviewed onderzoek en officiële publicaties. Ze worden door Nederlandse gender-klinieken niet prominent gecommuniceerd aan patiënten — terwijl ze cruciaal zijn voor een weloverwogen beslissing.
Bronnen zijn steeds vermeld. Klik op de bron voor het volledige onderzoek. Achtergrond bij deze cijfers lees je op onze pagina over genderdysforie.
30%
Van de mensen die in het Amerikaanse militaire zorgsysteem met genderbevestigende hormonen begonnen, was na vier jaar gestopt; de redenen zijn niet gemeten.
63%
Van de kinderen die naar de Amsterdamse genderkliniek werden verwezen, had in de adolescentie geen genderdysforie meer (80 van 127), zonder medische interventie.
19×
Hogere sterfte door suïcide na een geslachtsoperatie dan bij controles uit de algemene bevolking (Zweden, 1973-2003); suïcidepogingen 4,9× zo vaak. Volgens de auteurs volstaat geslachtsaanpassing mogelijk niet als behandeling.
2,9 : 1
In 2018 kwamen er bij de Amsterdamse genderkliniek op elke als jongen geboren jongere 2,9 als meisje geboren jongeren.
<1%
Spijt na verwijdering van de geslachtsklieren in het Amsterdamse cohort: 0,6% van de transvrouwen en 0,3% van de transmannen. Maar 36% van de behandelde mensen kwam na verloop van jaren niet meer bij de kliniek.
Botdichtheid
Tijdens puberteitsremming blijft de botdichtheid achter; bij transvrouwen was die op 22-jarige leeftijd nog niet hersteld.
98%
Van de Nederlandse jongeren die in de adolescentie met puberteitsremmers begonnen, gebruikte bij de follow-up nog genderbevestigende hormonen.
Bron: Van der Loos et al., 2022, Lancet Child Adolesc Health
2024
Het Cass Review in het VK concludeerde dat de kwaliteit van bewijs voor medische transitie bij minderjarigen "opmerkelijk zwak" is en dat er onvoldoende follow-up is.
41%
Van de deelnemers aan de Amerikaanse National Transgender Discrimination Survey meldde ooit een suïcidepoging; het gaat om een zelfgerapporteerde enquête zonder controlegroep.
55%
Van 100 detransitioners vond dat ze vóór de transitie geen adequate beoordeling kregen van een arts of psycholoog; slechts 24% vertelde de eigen behandelaar over de detransitie.
Waarom zijn deze cijfers niet bekend?
Veel van deze cijfers worden niet actief gecommuniceerd door Nederlandse gender-klinieken in hun voorlichtingsmateriaal. Patiënten worden daardoor niet altijd volledig geïnformeerd over de risico's, de onomkeerbaarheid en de kans op transspijt. Wij zien dat als een structureel gebrek aan informed consent.
Wil je meer onderzoek lezen? Bezoek onze bronnenlijst of ga direct naar SEGM.org voor een overzicht van wetenschappelijke publicaties.
Waarom cijfers in dit veld lastig te interpreteren zijn
Getallen over spijt en detransitie lijken eenduidig, maar zijn dat zelden. Een groot deel van de mensen verdwijnt na verloop van tijd uit beeld (loss to follow-up): ze keren niet terug naar de kliniek, verhuizen, of haken af. Wie ontevreden is of detransitioneert, doet dat bovendien vaak niet bij dezelfde kliniek die de transitie begeleidde — en valt daardoor buiten de officiële tellingen. Klinische cohorten bestaan daarnaast vooral uit mensen die in zorg bleven; juist degenen die afhaakten, ontbreken in de statistiek. Dat soort selectie drukt gerapporteerde spijtpercentages naar beneden, los van wat er werkelijk speelt.
Daar komt de tijdsdimensie bij. Veel onderzoek heeft een korte follow-upduur, terwijl spijt en de stap naar detransitie zich vaak pas na vijf, tien jaar of langer aandienen. Een studie die mensen maar een paar jaar volgt, mist die latere gevallen per definitie. De Cass Review wees er om die reden op dat de bewijsbasis voor medische transitie bij minderjarigen zwak is en dat structurele langetermijn-follow-up grotendeels ontbreekt. Vergelijkbare beperkingen gelden voor onderzoek naar puberteitsremmers.
Verschillende definities, verschillende uitkomsten
Een tweede reden voor uiteenlopende cijfers is dat onderzoekers niet hetzelfde meten. "Spijt", "detransitie" en "stoppen met behandeling" worden verschillend afgebakend. De ene studie telt alleen wie formeel om operatief herstel vraagt; een andere telt iedereen die stopt met hormonen, ongeacht de reden — soms door bijwerkingen of kosten, niet door spijt. Ook detransitie zelf kent gradaties: sociaal, medisch of chirurgisch terugdraaien zijn heel verschillende dingen. Wie de definitie verandert, verandert het percentage. Daardoor zijn cijfers uit verschillende bronnen lang niet altijd één-op-één vergelijkbaar.
Dit betekent niet dat cijfers waardeloos zijn, maar wel dat ze met de bijbehorende methode gelezen moeten worden. Een laag gerapporteerd percentage kan net zo goed wijzen op een korte follow-up of een enge definitie als op weinig spijt. Achtergrond bij het verschijnsel zelf staat op de pagina's over detransitie en spijt van transitie.
Onderzoek en cijfers
- detransitie percentages onderzoek cijfers 2025 →
- beyond regret mackinnon 957 detransitioners studie 2026 →
- psychiatrische comorbiditeit stijgt 10 naar 61 procent na transitie →
- non binair genderidentiteit jongeren toename betekenis →
- transregret org officiele spijtcijfers onder 1 procent niet houdbaar 2026 →
Transspijt