onderzoek

Vandenbussche — Detransitie-studie (2021)

Studie (Vandenbussche, 2021) naar ervaringen van detransitioners. Meerderheid stopte wegens psychologische complicaties of veranderde genderidentiteit,.

De studie van Elie Vandenbussche, gepubliceerd in 2021 in het Journal of Homosexuality, geldt internationaal als een van de eerste systematische pogingen om detransitioners zelf aan het woord te laten. De auteur peilde de ervaringen, motieven en zorgbehoeften van een groep mensen die een eerder ingezet medisch en sociaal transitietraject heeft gestopt of teruggedraaid. Tot dan toe was deze populatie nagenoeg afwezig in de klinische literatuur.

Opzet en populatie

Vandenbussche werkte met een online vragenlijst die werd verspreid via gespecialiseerde online communities en peer-support netwerken voor detransitioners. De steekproef omvat enkele honderden respondenten, met een sterke oververtegenwoordiging van vrouwen die eerder een masculiniserende transitie hadden ingezet. De respondenten zijn afkomstig uit verschillende westerse landen, waaronder de Verenigde Staten, Canada, het Verenigd Koninkrijk en continentaal Europa.

Bevindingen

De respondenten noemen meerdere, vaak gelijktijdig spelende redenen om te detransitioneren. Een groot deel rapporteert dat de transitie de onderliggende psychische problemen niet heeft opgelost en in sommige gevallen heeft verergerd. Veel deelnemers benoemen onverwerkt trauma, internaliserende homofobie, misogynie en lichaamshaat, of autistische kenmerken als factoren die ten tijde van de transitie niet waren herkend of behandeld. Een tweede grote groep rapporteert een verandering van genderidentiteit zelf: zij identificeren zich opnieuw met hun geboortesekse of komen tot een non-binair zelfbeeld zonder medische ingrepen.

Een aanzienlijk deel rapporteert daarnaast lichamelijke klachten van eerdere behandelingen, sociale stigmatisering, en het verlies van vruchtbaarheid of seksueel functioneren. Vrijwel alle respondenten geven aan dat zij in hun detransitiefase weinig tot geen passende zorg konden vinden. Behandelaars die jaren eerder vlot een transitietraject begeleidden, bleken niet toegerust voor de begeleiding van detransitie en in sommige gevallen weigerachtig om hun rol te erkennen.

Methodologische beperkingen

De studie maakt gebruik van een zelfselectie-steekproef via communities die kritisch staan tegenover delen van het transgenderzorgveld. Dat betekent dat de bevindingen niet zonder meer veralgemeniseerbaar zijn naar alle detransitioners. Tegelijk maakt deze opzet wel zichtbaar wat in klinische registraties juist ontbreekt: de stemmen van mensen die de zorg achter zich hebben gelaten.

Implicaties voor zorgbeleid

Vandenbussche pleit voor erkenning van detransitie als reele zorgrealiteit, voor onderzoek naar de behoeften van deze groep en voor scholing van behandelaars. Voor het Nederlandse zorgveld is dat onverminderd actueel. Een diagnostisch traject dat trauma, comorbiditeit en seksuele orientatie expliciet weegt, en een nazorgstructuur voor wie wil stoppen of terugdraaien, ontbreken in de huidige genderzorg grotendeels.