medisch

15 augustus 2024

Lichaamsdysmorfie en OCD als misdiagnose voor genderdysforie: een onderschat probleem

Lichaamsdysmorfische stoornis en OCD kunnen op genderdysforie lijken. In de klinische literatuur en in verhalen van detransitioners zijn gevallen beschreven waarbij jongeren met BDD of OCD op het gendertransitiepad belandden. Een zorgvuldige differentiaaldiagnose is daarom essentieel.

Lichaamsdysmorfie en OCD als misdiagnose voor genderdysforie: een onderschat probleem

Twijfel je, heb je spijt, letsel of ben je aan het detransitioneren?

Neem vertrouwelijk contact op

Genderdysforie — het aanhoudende gevoel dat men tot het andere geslacht behoort — is een erkende diagnostische categorie. Maar het is niet de enige aandoening waarbij mensen ongelukkig zijn met hun lichaam of hun geslachtskenmerken. En in de klinische praktijk is het onderscheid niet altijd scherp.

Lichaamsdysmorfische stoornis (BDD)

De lichaamsdysmorfische stoornis (Body Dysmorphic Disorder, BDD) is een aandoening waarbij iemand obsessief bezorgd is over een vermeend gebrek in zijn of haar lichaam. Die bezorgdheid leidt tot significante stress en beïnvloedt het dagelijks functioneren.

BDD heeft een hoge comorbiditeit met depressie, angststoornissen en suïcidaliteit. Het treft zowel mannen als vrouwen, maar heeft bij vrouwen soms betrekking op seksuele kenmerken: borsten, taille, heupen. Sommige vrouwen met BDD willen hun borsten chirurgisch verwijderd hebben — niet omdat ze zich man voelen, maar omdat hun borsten de bron zijn van obsessieve bezorgdheid.

In een klinisch systeem dat moeite heeft met het onderscheid tussen BDD en genderdysforie, kan zo'n patiënte op het gendertransitiepad belanden.

OCD en genderobsessies

Obsessief-compulsieve stoornis (OCD) kan ook een rol spelen. Er is een specifiek subtype van OCD beschreven waarbij de obsessieve gedachten betrekking hebben op genderidentiteit: "Ben ik eigenlijk transgender? Klopt mijn genderidentiteit?" Dit wordt in de literatuur soms aangeduid als "TOCD" (Transgender OCD).

Bij OCD werken "compulsies" — handelingen die tijdelijk angst verminderen — als versterkers van de obsessie. Als iemand met genderobsessieve OCD begint te "checken" door zichzelf als transgender te presenteren of bij een genderkliniek te gaan, kan dat de obsessie versterken in plaats van oplossen. De OCD-gedachten nemen toe, de drang naar medische behandeling ook.

De behandeling voor OCD (Exposure and Response Prevention, ERP) is fundamenteel anders dan het bevestigende model voor genderdysforie. Beter gezegd: ze is tegengesteld. ERP vraagt de patiënt juist géén compulsieve handelingen te uitvoeren — terwijl het bevestigende model precies die handelingen faciliteert.

Documentatie van het probleem

In de klinische literatuur zijn gevallen beschreven waarbij patiënten die aanvankelijk om genderbehandeling vroegen, ook of vooral aan BDD of OCD bleken te lijden. Systematisch onderzoek naar hoe vaak dat voorkomt, ontbreekt.

De Cass Review (2024) stelde vast dat de beoordeling bij de Tavistock GIDS niet consistent was en dat bijkomende psychische problemen te weinig aandacht kregen; zij pleitte voor een brede, holistische beoordeling van elk kind (bron).

De Britse psychiater Dr. Az Hakeem leidde bij de Portman Clinic in Londen groepspsychotherapie voor mensen met genderdysforie. Hij beschreef hoe een deel van zijn patiënten na therapie niet langer een operatie wilde (bron).

Het probleem van de bevestigende aanpak

Het bevestigende model is ontworpen voor genderdysforie — niet voor BDD of OCD. Wanneer een patiënt met BDD of OCD door een bevestigend systeem wordt geloodst, kan dat leiden tot onomkeerbare medische ingrepen die de onderliggende aandoening niet behandelen.

Dit is precies wat sommige detransitioners beschrijven. Kasey Emerick, Nikita Teran en anderen beschrijven hoe hun ongelukkige relatie met hun lichaam een comorbiditeit was die nooit adequaat werd behandeld — en hoe de genderbehandeling die ongelukkige relatie niet oploste maar verplaatste.

De differentiaaldiagnose

De vraag die clinici zouden moeten stellen — en die in het exploratieve model expliciet wordt gesteld — is: wat zijn alle mogelijke verklaringen voor dit gevoel van ongemak met het eigen lichaam of geslacht?

Mogelijke differentiaaldiagnoses bij genderdysfore klachten omvatten:

  • Echte genderdysforie (transpersoon in de klassieke zin)
  • Lichaamsdysmorfische stoornis (BDD)
  • OCD met genderobsessies
  • Autismespectrumstoornis (die anders zijn en sociaal mislukken kan maskeren als gender-discomfort)
  • Trauma of seksueel misbruik (het lichaam als bron van gevaar of walging)
  • Eetstoornis (het afwijzen van de vrouwelijke lichaamsontwikkeling)
  • Homoseksualiteit die niet geaccepteerd is (het lichaam dat begeertes opwekt die niet mogen)

Adequate differentiaaldiagnose is tijdrovend en vereist training. Het bevestigende model ontheft de clinicus van die verplichting. Het exploratieve model stelt haar centraal. De vraag is welk model beter is voor de patiënt — en het antwoord hangt mede af van welke stoornis de patiënt werkelijk heeft.


Bronnen:

  • Cass Review (2024). Independent review of gender identity services for children and young people: final report. April 2024.
  • Hakeem, A. (2010). Deconstructing gender in trans-gender identities. Group Analysis, 43(2), 141–154. sagepub.com
  • GETA (Gender Exploratory Therapy Association). Clinical resources on differential diagnosis. genderexploratory.com