1 januari 2016
Mul en Wojniusz: wat twee kleine studies zeggen over IQ en puberteitsremmers
Twee kleine studies naar puberteitsremmers bij vroege puberteit worden vaak aangehaald in het IQ-debat. Mul e.a. (Acta Paediatrica, 2001) vonden een significante IQ-daling tijdens de behandeling; Wojniusz e.a. (Frontiers in Psychology, 2016) vonden een lager maar niet significant verschillend IQ. Voor het Dutch Protocol, dat dezelfde medicatie gebruikt, is dat een signaal om de cognitieve effecten serieus te onderzoeken.

Twijfel je, heb je spijt, letsel of ben je aan het detransitioneren?
Neem vertrouwelijk contact opTwee studies — uit 2001 en 2016 — worden in het debat aangehaald als aanwijzing voor een gevolg van puberteitsremmers dat zelden expliciet wordt benoemd: een mogelijk lager IQ bij kinderen die de medicatie ontvingen.
De studies
- Mul e.a. (2001), gepubliceerd in Acta Paediatrica: 30 geadopteerde kinderen behandeld voor vroege puberteit, met GnRH-agonisten al dan niet samen met groeihormoon. Het IQ daalde tijdens de behandeling significant (bron).
- Wojniusz e.a. (2016), gepubliceerd in Frontiers in Psychology: 15 behandelde meisjes vergeleken met 15 leeftijdgenoten. Het geschatte IQ was 94 tegen 102 bij de controlegroep, maar dat verschil was niet significant; in beide groepen liepen twee meisjes een jaar achter op school (bron).
De cruciale parallel
Een belangrijke nuance: deze studies betreffen kinderen die puberteitsremmers kregen voor precocious puberty — niet voor genderdysforie. Echter, de medicatie is dezelfde: GnRH-agonisten (Lupron, Triptoreline). Bij genderdysforie wordt de medicatie bovendien in een andere levensfase gegeven: bij het begin van de normale puberteit, niet om een te vroege puberteit af te remmen.
Waarom dit niet vaak wordt geciteerd
Voor klinieken die puberteitsremmers voorschrijven aan gender-dysfore tieners, zijn deze data ongemakkelijk. De officiële narratief is dat puberteitsremmers "tijd geven om na te denken" zonder schadelijke effecten. Vooral Mul (2001) zet daar een vraagteken bij. De data worden weinig aangehaald in de genderliteratuur, ook omdat ze bij een andere patiëntengroep zijn verzameld en de aantallen klein zijn.
Wat de Cass Review hierover zei
De Cass Review (2024) stelde vast dat er weinig bekend is over de effecten van puberteitsremmers op de hersenontwikkeling, en dat het bewijs daarvoor veel zwakker is dan klinieken claimden. Baxendale (2024) systematiseerde dezelfde zorgen in detail. De studies van Mul en Wojniusz zijn daarbij een van de weinige, kleine databronnen.
Ethische implicatie
Een mogelijke daling van het IQ is geen detail. Een verschil van acht punten, zoals tussen 102 en 94, betekent voor sommige kinderen het verschil tussen wel of niet naar het volgend schooljaar, tussen wel of niet bepaalde studies kunnen kiezen. Voor een ouder die overweegt om hun gender-dysfore tiener puberteitsremmers te laten beginnen, hoort dit gegeven in het informed consent-gesprek — als feit, niet als bijwerking die "soms wordt genoemd".
Voor Nederland
Nederlandse genderklinieken communiceren deze data zelden actief in intake-procedures. Voor ouders en jongeren betekent dat: zelf vragen. Wijs op Mul (2001), Wojniusz (2016) en de Cass Review. Vraag om uitleg.
Bronnen:
- Mul, D. et al. "Psychological assessments before and after treatment of early puberty in adopted children." Acta Paediatrica, 2001.
- Wojniusz, S. et al. "Cognitive, Emotional, and Psychosocial Functioning of Girls Treated with Pharmacological Puberty Blockage for Idiopathic Central Precocious Puberty." Frontiers in Psychology, 2016.
- Stats for Gender — overzicht. statsforgender.org
Transspijt






