onderzoek
Steensma et al. (2013) — Desistance en persistentie van genderdysforie bij kinderen
Steensma et al. (2013) volgden 127 kinderen met genderdysforie: bij 80 van hen (63%) was de dysforie in de adolescentie verdwenen.
Thomas Steensma en collega's van het VUmc-genderteam publiceerden in 2013 in het Journal of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry de studie Factors Associated with Desistence and Persistence of Childhood Gender Dysphoria: A Quantitative Follow-Up Study. Het onderzoek is een van de centrale empirische bronnen achter het zogenaamde Dutch Protocol en wordt internationaal aangehaald om te onderbouwen dat genderdysforie bij de meeste kinderen vanzelf overgaat.
Onderzoeksopzet
Het betreft een prospectieve follow-upstudie van kinderen die vóór hun twaalfde waren aangemeld bij de genderkliniek van het VUmc (bron). De auteurs onderzochten welke kinderen op adolescente leeftijd nog steeds genderdysforie ervoeren (persisters) en welke niet meer (desisters).
Populatie
De studie includeerde 127 kinderen (79 jongens, 48 meisjes) die op kinderleeftijd voldeden aan DSM-criteria voor genderidentiteitsstoornis of subklinische genderdysforie hadden.
Bevindingen
- Een meerderheid van de kinderen (80 van de 127, 63 procent) ervoer op adolescente leeftijd geen genderdysforie meer; 47 jongeren hielden die wel.
- Persistentie hing samen met: ernst van de oorspronkelijke dysforie, cognitieve identificatie met het andere geslacht (in plaats van uitsluitend rolgedrag), en het ondergaan van sociale transitie op kinderleeftijd; bij geboren meisjes was persistentie waarschijnlijker.
- Veel desisters ontwikkelden later een homoseksuele oriëntatie zonder transgender identiteit.
Conclusies
Steensma c.s. concluderen dat genderdysforie op kinderleeftijd in de meerderheid van de gevallen niet voortduurt en dat vroegtijdige sociale transitie een risicofactor kan zijn voor persistentie, mogelijk doordat zij een ontwikkelingspad vastzet dat anders open zou blijven. Zij bevelen aan de begeleiding voor jongens en meisjes afzonderlijk te ontwikkelen.
Beperkingen
- Niet alle kinderen voldeden aan volledige DSM-criteria, wat de externe geldigheid voor klinische cohorten beperkt.
- Het betreft een klinisch cohort uit een specifiek tijdvak; de huidige populatie verwezen jongeren wijkt sterk af (meer adolescente meisjes, hogere comorbiditeit).
- Steekproefverlies bij follow-up; niet iedereen kon worden bereikt.
- Sociale transitie was destijds zeldzaam; de bevinding dat sociale transitie persistentie voorspelt, is gebaseerd op een klein aantal gevallen.
Implicaties
De desistance-bevinding heeft directe consequenties voor het beleid: behandeling met puberteitsblokkers op vroege leeftijd grijpt in op een traject dat bij de meerderheid spontaan zou zijn opgelost. Tegenstanders van vroegtijdige medische trajecten verwijzen naar Steensma om voorzichtigheid te bepleiten. Voorstanders stellen dat de huidige patiëntengroep (adolescenten met latere onset) andere uitkomsten kent dan het cohort uit deze studie, en dat de gegevens daarop niet direct toepasbaar zijn. Die discussie blijft open omdat vergelijkbare langetermijngegevens voor het nieuwe cohort ontbreken.
Transspijt