onderzoek

Systematic review (2024) — Prevalentie van spijt na genderbevestigende operatie

Systematische review (2024) van 24 studies met 3662 patiënten: gemiddeld 1,94 procent spijt na genderbevestigende chirurgie, 4,0 procent bij transfeminiene patiënten.

Deze systematische review uit 2024 brengt de prevalentie van spijt na genderbevestigende chirurgie in kaart. De auteurs analyseerden 24 studies met in totaal 3662 patiënten, waarvan het overgrote deel (3673 procedures) in de Verenigde Staten werd uitgevoerd, naast Europa (514), Azië (97) en Zuid-Amerika (19). De review berekende gewogen proporties op basis van studiekenmerken en chirurgische uitkomsten.

Bevindingen

De gerapporteerde totale spijt-prevalentie bedraagt rond de 2 procent. Bij transfeminiene patiënten lag het cijfer met 4,0 procent aanzienlijk hoger dan bij transmasculiene patiënten (0,8 procent). De auteurs rapporteren bovendien lagere spijt-percentages in de Verenigde Staten dan in de rest van de wereld. De onderzoekers zien hun analyse als hulpmiddel voor betere patiëntselectie; het verschil kan ook duiden op verschillen in follow-up, definitie van spijt en bereidheid om spijt te uiten.

Methodologische beperkingen

De review erft de zwaktes van de onderliggende studies. Loss-to-follow-up is in dit veld structureel hoog: patiënten die spijt hebben verbreken vaker het contact met de behandelend kliniek, waardoor zij niet meetellen in de teller. Veel van de geïncludeerde studies gebruiken alleen het formele verzoek tot detransitiechirurgie of een expliciete uitspraak in het dossier als maatstaf voor spijt. Mensen die spijt hebben maar geen contact meer zoeken, mensen die spijt hebben zonder operatie ongedaan te maken, en mensen die pas na tien of vijftien jaar spijt ontwikkelen, vallen buiten beeld.

De gemiddelde follow-up van de geïncludeerde studies is bovendien kort in verhouding tot de levensduur van een transitie. Zweeds registeronderzoek liet zien dat een verzoek om de juridische geslachtswijziging terug te draaien vaak pas vele jaren na de operatie volgt (bron). Reviews die kortere follow-up combineren onderschatten daarmee structureel de werkelijke spijt-prevalentie.

Implicaties voor zorgbeleid

De auteurs concluderen dat de bevindingen kunnen bijdragen aan betere selectiecriteria voor genderbevestigende chirurgie. Tegelijk laat de review zien dat de discussie over spijt niet kan worden beslecht met een enkel percentage. Risicofactoren die in de literatuur terugkeren zijn jonge leeftijd ten tijde van de operatie, onbehandelde of niet-herkende psychiatrische comorbiditeit en beperkte diagnostische evaluatie voorafgaand aan de medische stap.

Voor het Nederlandse zorgveld zijn deze bevindingen relevant in het licht van de discussie over het Dutch Protocol en de toenemende internationale kritiek vanuit Engeland, Zweden en Finland. Een lage gerapporteerde spijt-prevalentie ontslaat behandelaars niet van de plicht om bij iedere patiënt een grondige differentiaaldiagnostiek uit te voeren en alternatieve verklaringen voor genderdysforie, zoals trauma, autisme of geïnternaliseerde homofobie, expliciet te wegen voordat onomkeerbare ingrepen worden ingezet.